• Steven de Joode

Folio, 4to, 8vo en 12mo: dit moet je weten over formaten



Antiquariaats- en veilingcatalogi staan vol met aanduidingen als folio (2°), 4to (4°), 8vo (8°), 12mo (12°), etc. Maar wat betekenen die begrippen? Ze duiden het bibliografisch formaat aan wat niet hetzelfde is als de afmetingen. Om te begrijpen wat daarmee bedoeld wordt, moet je iets weten over het productieproces van boeken in de handpersperiode (ca. 1450-1830).


Een boek uit de handpersperiode bestaat uit één of meerdere katernen, zoals te zien op de afbeelding hierboven. Die katernen werden vervaardigd door een bedrukt vel papier een of meerdere keren te vouwen. Als je op beide zijden van een vel papier twee pagina's drukt, en vervolgens het vel dubbelvouwt, krijg je dus één katern van twee bladen (vier bladzijden). Het formaat dat op deze manier ontstaat, noemen we 'folio'. Aan de ene kant van het vel worden dus de pagina's 2 en 3 afgedrukt en aan de andere kant de pagina's 1 en 4. (Uit praktische overwegingen werden katernen in folio vaak samengevoegd tot 4, 6, 8 of 10 bladen.)

Figuur 2. De afbeelding toont de buitenvorm (weerdruk) en de binnenvorm (schoondruk) van een katern in folio formaat. Uit: Gaskell, A New Introduction to Bibliography (1972).

Maar je kunt natuurlijk ook aan beide zijden van het vel vier pagina's drukken. Om daar een katern van te maken, moet je het vel niet één, maar twee keer vouwen. Het resultaat is dan een katern van vier bladen (acht bladzijden of pagina's): het formaat 'kwarto' (4to). En op dezelfde manier kun je ook acht ('octavo', 8vo), of 12 ('duodecimo', 12mo) of 16 ('sextodecimo', 16mo) of nog meer pagina's op beide zijden van het vel drukken.


Het bibliografisch formaat vertelt dus iets over de structuur van een boek: het laat zien hoe de katernen zijn gevouwen en welke pagina's tegelijk zijn afgedrukt (dat laatste is belangrijke informatie voor bibliografen die bijvoorbeeld speuren naar 'persvarianten', maar dat voert nu te ver).


Uit het voorgaande zul je wellicht al de conclusie hebben getrokken dat een boek in het folio formaat groter is dan een boek in 4to formaat, dat weer groter is dan een 8vo, dat weer groter is dan een 12mo, enz. Vaak is dat inderdaad het geval. Maar dat hangt natuurlijk wel af van de afmetingen van het vel papier waarmee je begint: als je op een klein vel papier een folio drukt, kan dit kleiner zijn dan een 4to gedrukt op een veel groter vel, en ook een 12mo kan in de praktijk groter zijn dan een octavo.

Figuur 3. Een vel in kwarto. Uit: Gaskell, A New Introduction to Bibliography (1972).

Maar hoe herken je dan het formaat? Zoals we net hebben gezien, is het aantal bladen per katern een belangrijke indicator voor het achterhalen van het bibliografisch formaat. Twee andere zijn: de richting van de kettinglijnen en de positie van het watermerk.


Als je een vel papier uit de handpersperiode tegen het licht houdt, zie je lijnen lopen tussen de lange zijden van het vel. Deze lijnen zijn ontstaan in het papier door de afdruk in de papierpulp van de draden waarmee de papierzeef gevlochten is. In de meeste gevallen heeft het papier ook een watermerk en vaak aan de andere kant een zogeheten contramerk (veelal de initialen van de maker). Een schematische weergave van de kettinglijnen en het watermerk is te zien in figuren 2 en 3. Figuur 2 toont een vel in folio. Duidelijk is te zien dat de kettinglijnen verticaal lopen en het watermerk in het midden van het blad zit. De onregelmatige randen van het vel zijn de schepranden. Ook die kunnen je helpen het formaat te bepalen, maar in veel gevallen zal de binder die hebben afgesneden.

Figuur 4. Impositie- en vouwschema van een vel in 4to. Uit: Voet, The Golden Compasses (1969-1972).

Bij een kwarto wordt, zoals gezegd, het vel twee keer gevouwen, waardoor de kettinglijnen in de aldus ontstane bladen horizontaal lopen en het watermerk in het midden van de binnenmarge van twee bladen te zien is (zie figuur 3). Om een katern in 8vo te krijgen, wordt het vel drie keer gevouwen. In de bladen lopen de kettinglijnen dan weer verticaal, maar het watermerk is te zien aan de bovenkant van de binnenmarge van vier bladen. Bij een 12mo daarentegen lopen de kettinglijnen weer horizontaal en is het watermerk (of een deel daarvan) te vinden aan de buitenkant van twee bladen, enz. Houd er rekening mee dat bij formaten als 12mo en 16mo de binder vaak een deel van het waterwerk heeft weggesneden toen hij de marges recht afsneed; je treft dan dus slechts fragmenten van het watermerk aan. Voor de vier meest voorkomende formaten is dit een handig overzicht:


Formaat: 2° (folio)

Bladen per katern: 2, 4, 6, 8 of 10

Positie watermerk: in het midden van het blad

Richting kettinglijnen: verticaal


Formaat: 4° (kwarto, 4to)

Bladen per katern: 4 of 2

Positie watermerk: in het midden van de binnenmarge

Richting kettinglijnen: horizontaal


Formaat: 8° (octavo, 8vo)

Bladen per katern: 8 of 4

Positie watermerk: bovenaan de binnenmarge

Richting kettinglijnen: verticaal


Formaat: 12° (duodecimo, 12mo)

Bladen per katern: 12, 6, of 8 en 4

Positie watermerk: tussen het midden en de bovenkant van de buitenmarge

Richting kettinglijnen: horizontaal


Uiteraard is dit een zeer beknopte uitleg: er bestaan nog veel meer formaten en varianten (en indicatoren). Als je meer over dit onderwerp wilt weten, is een goede eerste stap de aanschaf van Gaskells standaardwerk A New Introduction to Bibliography (1972) – een boek dat sowieso niet in je boekenkast mag ontbreken. Gaskell legt helder uit hoe je formaten kunt herkennen en heeft vele schema's opgenomen zoals figuren 1 en 2 hierboven. En voor diegenen die niet terugschrikken voor grondige bibliografische miereneukerij is er het 49 pagina's tellende artikel van Thomas Tanselle, 'The Concept of Format'. Verder is deze film van de Rare Book School erg nuttig: The Anatomy of a Book: Format in the Hand-Press Period (1991).



0 keer bekeken
BLIJF OP DE HOOGTE!

© 2020 by Steven de Joode